Boeken

Felle streken

Felle streken

Een verrassende historische roman over een talentvolle schilder die gebukt gaat onder een groot geheim.

Najaar 1620. Antonie van Dyck, kunstschilder en voormalig wonderkind, is uitgegroeid tot een van de meest vermaarde schilders van Antwerpen. Hij werkt als hoofdassistent van Peter Paul Rubens aan een eervolle opdracht, die hem nog meer naamsbekendheid zal geven. Toch staat hij op het punt zijn leermeester, mentor en in zekere zin de vaderfiguur aan wie hij zijn ontwikkeling grotendeels dankt, te vertellen dat hij afscheid van hem neemt en de opdracht onvoltooid achterlaat. Antonie vertrekt naar Londen om te schilderen aan het hof van de excentrieke King James.

Hij laat niet alleen Rubens achter, maar ook zijn familie. Vanwaar die haast? Waarom brengt hij de achterblijvers zo in moeilijkheden? En waartoe leidt dit alles?

Felle streken is een historische roman over de ontwikkeling van talent, blinde ambitie, prille liefde en over het streven om onder complexe omstandigheden het goede te blijven doen.

269 pagina’s | 978 90 2634 085 7 | oktober 2017

bestellen

Artikel Gelderlander: ‘Tweede historische roman van Brenda Meuleman’

Bol.com: ‘Top 10 boeken die Brenda Meuleman inspireerden bij Felle streken’

leesfragment Felle streken (blz. 14 tm 17)

Wanneer hij niet zelf schilderde, verdiepte Antonie zich in het werk van andere kunstenaars. In de collectie van Rubens bevonden zich veel schilderijen van Italiaanse maar ook Noordelijke kunstenaars, zoals Rafaël, Correggio en Hans Holbein. Hij wilde hen evenaren, overtreffen als het even kon. Aldus oefende hij de weergave van torso’s en ledematen, en experimenteerde hij met vormen, ontwerpen en patronen, schetsboek na schetsboek, net zo lang tot alle elementen op natuurlijke wijze uit hem vloeiden. Er waren dagen dat hij het gevoel had alles aan te kunnen. Goddelijke dagen. Dan leek hij zijn eigen vingers niet te kunnen bijhouden, ze wervelden over het doek. Maar het gevecht overheerste: het moest allemaal nóg beter kunnen, nog gestileerder. Er waren altijd nieuwe doelstellingen en experimenten, net zo lang tot hij iets bedacht wat zo onbereikbaar was dat hij een reden had om met betraande ogen een vuist door het doek te slaan.

En toen was er de opdracht voor de Carolus Borromeuskerk, de Jezuïetenkerk: twintig plafondschilderingen van formaat met taferelen uit de passiereeks, in een jaar te voltooien. Die dag, een halfjaar geleden, had Rubens aan Antonie gevraagd of hij tijd had om iets met hem te bespreken. Antonie herkende het onderdrukte enthousiasme van zijn meester, dat hij vertoonde wanneer er iets buitensporigs op stapel stond, en hij was zelf minstens zo opgewonden geweest toen het hem uit de doeken werd gedaan. ‘Een ereproject’ had Rubens het genoemd, echter eentje waar hij zelf nauwelijks tijd voor zou hebben.

‘Jij en ik en iedereen hier in Antwerpen en ver daarbuiten weten wie, naast ikzelf, een project als dit aankan.’ Hij had even gezwegen, geslikt. Was hij emotioneel? ‘Zonder jou kan het niet doorgaan. Kan ik op je rekenen?’ Rubens had hem aangekeken zoals hij vroeger gehoopt had dat zijn vader hem in de ogen zou zien: vol trots en vertrouwen. Gelijkwaardig.

Hij begreep heel goed dat hij de aangewezen figuur was om dit te doen. Rubens had het altijd druk en deze opdracht was Antonie op het lijf geschreven. Het was Rubens die hem gemaakt had tot de schilder die hij was, die hem had geholpen met zijn ontwikkeling en hem altijd streng, kritisch en met warmte bejegend had. Dit grote werk was een bekroning, niet alleen van Antonie’s meesterschap – zijn naam zou aan dit project worden verbonden – maar ook van hun jarenlange samenwerking. Het was het omvangrijkste project tot nu toe waar hij bij betrokken werd als hoofdassistent van net eenentwintig jaar oud. Natuurlijk zei hij ‘ja.’

Er kwamen contractafspraken tussen de opdrachtgevers en Rubens, waarin Antonie met naam en toenaam werd vastgelegd als baas van het project. Er werd besloten en genoteerd dat Rubens de twintig schilderijen in klein formaat zou schilderen, waarna Antonie ze met hulp van leerlingen en assistenten in groot formaat zou naschilderen. Aangezien het allemaal niet in het atelier van Rubens zou passen, werd er een pand bij betrokken waarin Antonie meteen ook zijn intrek zou nemen.

Zo werd het pand met zijn hoge plafonds, de Dom van Ceulen in de Lange Minderbroedersstraat, zijn onderkomen. Hoofdbewoner worden van een plechtstatige dependance als deze was iets waar hij lang naar had uitgekeken, vanuit zijn eigen bescheiden onderkomen net buiten het centrum van de stad. Deze nieuwe woning met atelier was sfeervol en ruim, met de juiste lichtinval door de ramen, en ook buiten werktijden, wanneer de assistenten naar hun eigen huizen gingen, kon hij doorgaan zo lang als hij wilde.

Nu, een halfjaar later, ligt het werk op schema. De druk is hoog, maar hij kan het aan. Híj is degene die de verantwoordelijkheid draagt om de opdracht tot een goed einde te brengen, binnen de vastgestelde tijd. Elke week komt Rubens kijken hoe hij het er samen met de anderen van afbrengt. Antonie stelt de bezoeken op prijs en kijkt er soms zelfs naar uit, nog altijd vatbaar voor de goedkeuring op het gezicht van zijn patroon, ter bevestiging van wat hij al weet.

Vandaag is alles anders. Gaat hij naar hém toe. Om te vertellen dat hij ermee stopt.

leesfragment sluiten
Het verraad van Julia

Het verraad van Julia

Brenda Meuleman beschrijft in Het verraad van Julia hoe een slavin in de Romeinse tijd zich ontworstelt aan haar lot.

Rome, 2 voor Christus. De intelligente Griekse slavin Aigle is de lerares van Julia, dochter van keizer Augustus. Tussen Aigle en Julia groeit een vriendschap, al is deze niet gelijkwaardig. Langzaam maar zeker ontstaan barsten in hun verstandhouding.
Dan gebeurt het ondenkbare: Julia wordt door haar vader verbannen naar een eiland. Aigle wordt verteerd door schuldgevoel. Had zij dit kunnen voorkomen? Ze besluit te vechten voor datgene waarin ze gelooft.

Het verraad van Julia is een levendige historische roman over herkenbare thema’s in oude tijden: liefde, vriendschap en verraad.

228 pagina’s | ISNB 978 90 2633 409 2 | augustus 2016

bestellen

leesfragment Het verraad van Julia (blz. 7 tm 11)

In de kamer van Julia, die ik vanmiddag in mijn verwarring opzocht, begint het te schemeren. Hier kan ik ongestoord zitten.

Met haar toestemming heb ik er regelmatig gewerkt, mijn lessen voorbereid. Aan het grote aantal slaven binnen deze huishouding probeer ik na al die jaren nog steeds te ontsnappen. Overdag en ’s nachts, altijd mannen, vrouwen en kinderen om me heen. Ze vegen, poetsen, sjouwen, treden overal binnen en vertrekken babbelend naar andere delen van het huis. Ik weet dat het een voorrecht is voor een slaaf als ik om privéruimten te mogen gebruiken, maar zo heeft het nooit gevoeld. In elke ruimte van deze woning ben ik onvrij, al bieden de muren geborgenheid en geeft de aanwezigheid van wachters bescherming. Gelukkig kan ik lezen en schrijven, mijn vrijheden, al lijken ze nu onbelangrijk.

De gebeurtenissen van de afgelopen dagen houden me al nachtenlang wakker. Verschillende beelden doemen op: een heerser over het Romeinse rijk die zijn oordeel velt, zijn dochter in een stinkende cel en op een zeeschip, krakend in de wind. Mijn eigen betrokkenheid is onmiskenbaar. Ik heb schuld. Hoe heeft het zover kunnen komen?

Als kind was ik betrekkelijk vrolijk maar ik kon zomaar met mijn rug tegen de muur gaan zitten, onaanspreekbaar voor wie ook. Het waren geen vastomlijnde gedachten die in mij omgingen. Eerder een gevoel van angst, alsof die vreugde zonder aanleiding kon overgaan in iets anders, iets wat op de achtergrond al lang aanwezig was. Pas jaren later, net moeder geworden, begreep ik het. Het was de uitzichtloosheid waar ik niet tegen kon, het overgeleverd zijn aan de goede of kwade wil van één persoon, de afwezigheid van een mogelijkheid tot het kiezen van een eigen weg.

Het besef legt een donkere deken over mijn geheugen en voert mij naar de dag dat alles veranderde.

Zevenentwintig jaar geleden was ik kleiner dan nu, want mijn laatste groeifase moest ik nog krijgen. Sandalen had ik niet, dus de trap die ik Lucius Festus tegen zijn vette onderbeen gaf kan nooit hard aangekomen zijn. Hij was niet eens echt slecht; zijn vrouw behandelde hij met respect en wie hem goedgezind was kon op zijn steun rekenen. Zoals voor de meeste Romeinse burgers gold, was een slaaf voor hem minder dan een mens en net iets meer dan een zwerfhond. En zo wordt er nog steeds gedacht. Toch blijft het gek dat juist vrijgelatenen zoals Festus, die weten hoe het is om elke nacht met zijn allen dicht opeen te moeten slapen in een naar zweet en rot stinkende ruimte, vaak wreder zijn dan vrijgeborenen.

Die dag moest ik doperwten plukken in de moestuin achter het huis. Voor mij was die tuin groot en uitgestrekt, maar zal niet groter zijn geweest dan de grond achter een gemiddelde stadswoning. Het was vroeg in de ochtend, er hingen nog lage nevels, en er was niemand te zien. Het beste moment van de dag. Ik zette een pan naast me neer en begon de peulen waar ik bij kon met een mesje van de staken te halen. Daarna drukte ik de taaie hulzen open, schoof de erwten eruit en liet ze tokkelend op de bodem neerkomen. De lege hulzen gooide ik achteloos over mijn schouder.

Net toen ik begonnen was hoorde ik onder de struiken naast mij een klaaglijk geluid, een soort dierlijk grauwen. Ik ging erop af en tilde wat takken op. Daar rolde een zwart wit gevlekte kat in paniek heen en weer. Hij was in gevecht met een stuk touw dat om zijn voorpoten was gewikkeld. Zijn vacht was bebloed, en door zijn wilde gedraai kwam het alleen maar strakker te zitten. Hij tilde zijn kop naar mij op en liet een klaagtoon horen.

‘Poesje toch, wat heb je je in de nesten gewerkt,’ mompelde ik. Als ik de kluwen tussen zijn poten eerst losmaakte zou hij met koord en al wegrennen, dus greep ik hem bij zijn nekvel en tilde hem uit de struiken. Als een kind zat hij bij me op schoot. Terwijl ik het dier in bedwang probeerde te houden pakte ik een pootje. Hij trilde.

‘Stil maar, ik ga je helpen,’ suste ik. Met de punt van mijn vinger probeerde ik wat ruimte te krijgen tussen draad en vacht. Het beestje spartelde tegen en ik aaide hem tot hij weer rustig was. Nu kon ik een poot bevrijden en snel kwam ook de andere kant los.

‘Ja!’ riep ik. Nog even liet hij zich aaien. Daarna sprong hij van mijn schoot en rende de tuin in. Daar stond Festus, zijn buik vooruit. Hij greep de kat, draaide hem krakend zijn nek om en wierp hem over de heg. Ik kwam overeind en in een reflex haalde ik uit. Een pijnscheut dreunde door mijn voet.

‘Stom wicht,’ siste hij zo hard dat hij ervan moest hoesten. Zijn ogen puilden uit van verontwaardiging, terwijl hij van mij naar zijn zere onderbeen keek en weer terug. Van de zenuwen moest ik er bijna om lachen. Ik maakte me zo groot mogelijk en probeerde, ondanks mijn angst voor een harde bestraffing, niet bang te kijken. Nog moediger zou het zijn geweest om te vragen waarom hij het had gedaan maar daar wist ik het antwoord al op: zonder erbij na te denken, zoals hij de meeste dingen deed. Ik begreep niet hoe hij zo succesvol was geworden.

‘Nou? Waar blijven je excuses, slavin?’ Hij was tegenover me komen staan. Uit zijn neus staken dikke neusharen, sommige grijs, en de moedervlekachtige pukkels op zijn wangen en bovenlip leken groter dan ooit. Hij kon wachten wat hij wilde.

‘Breng haar naar de voorraadkamer,’ beval hij zijn lijfwachten, altijd in de buurt.

Ik werd draaierig. Dat hok vlak bij de keuken. De keren dat ik er moest zijn om iets te pakken had ik een touw met een katrol aan het plafond zien hangen. Aan de muren hingen haken. Volwassen slaven werden erin vastgezet; als er kaas was gestolen of een stuk servies vernield. Voor ons, de kinderen, werd verzwegen wat zich daar afspeelde maar ik had het vaak genoeg gehoord, de kreten en het hulpgeroep van achter de gesloten deur, en gezien hoe sommigen er uren later weer uit kwamen: strompelend, bebloed. De dagen erna werden ze door de anderen ontzien. Een keer had een van de koks een stoofschotel laten aanbranden in de oven. Het geschreeuw uit het hok was tot in de tuin hoorbaar. Na vrijlating bleef de kerel mank, waarop Festus zijn verlies nam op de slavenmarkt. Ze kwamen niet aan zijn eten.

Een aantal slaven was ons genaderd onder wie, met verschrikte ogen, mijn moeder. Hoewel ze net als ik kleiner was dan de meeste anderen viel haar zwarte haar meteen op. Ze had het me zo vaak gezegd, de laatste met wie je problemen moest krijgen was je meester. Die diende je te gehoorzamen en liever nog te vriend te houden, een andere keuze was er niet. Ze was altijd bezig om mij te beschermen. Maar mijn daad was onomkeerbaar.

leesfragment sluiten